Wetenschapsvisie – Wat de burger niet inbrengt

Deze blogpost verscheen 6 December 2014 op Bij Nader Inzien.

De NRC vroeg haar lezers: “Wat voor onderzoek vindt u dat gefinancierd moet worden (wees concreet: bv. auto’s op zonne-energie)?” Mijn antwoord: onderzoek waarvan wij niet direct over vijf of tien jaar (of binnen “een wetenschappelijke generatie”, zoals de Nederlandse Wetenschapsagenda stelt) de vruchten kunnen plukken, maar niettemin een onmisbare bijdrage levert aan onze cultuur en samenleving. Wat “wees concreet” betreft is mijn antwoord: onderzoek in de geesteswetenschappen. En dit is, voor alle duidelijkheid, mijn input in mijn hoedanigheid als burger, niet als promovenda.

Ik realiseer me dat ik hiermee breek met de regels van het spel van het vragen naar onderzoekstips van burgers. Waar de redactie eigenlijk naar op zoek is zijn, vermoedelijk, vurige pleidooien voor onderzoek naar hart- en vaatziekten, groene energie, dementie, kwaliteit van leven, privacy, en misschien een goed beargumenteerde vreemde eend in de bijt waar we eigenlijk nog niet aan hadden gedacht. Hoewel bovenstaande voorbeelden één voor één absoluut belangrijk zijn, wil ik hier de impliciete aanname van de vraagstelling zelf bevragen: de aanname dat de burger uit is op korte-termijn onderzoek met directe toepassingen, het liefst van het soort waar de burger zelf in zijn of haar leven nog wat aan heeft (“bv. auto’s op zonne-energie”). Waarom zou de burger niet precies waarde hechten aan onderzoek in de taal- en literatuurwetenschap, geschiedenis, religiewetenschappen, Duits, Frans, filosofie, noem maar op? Waarom zou, met andere woorden, de burger een topsectorenburger moeten zijn?

Lees verder op Bij Nader Inzien.