Project X van kennis?

“’Zelf bepalen waar de wetenschap zich mee bezig moet houden (…) het kan nu!’ Met deze woorden opende Matthijs van Nieuwkerk vorige week het item over de Nationale Wetenschapsagenda bij De Wereld Draait Door. De wetenschapsagenda is een initiatief van dit kabinet, geleid door Beatrice de Graaf en Alexander Rinnooy Kan, waarbij burgers uit worden genodigd mee te denken over het wetenschapsbeleid voor de komende jaren. Wij vrezen echter dat wat Beatrice de Graaf “het feest voor de wetenschap” noemt, veel eerder dreigt het Project X van de wetenschap te worden.

Eeuwige jeugd

Het startschot voor het feest van de wetenschap werd in de uitzending van De Wereld Draait Door gegeven door Katja Schuurman en Mark Rutte (dezelfde Mark Rutte die vindt dat visie iets is als een olifant die het zicht beneemt). Rutte wilde iets weten over de bloeiperiode van het Romeinse Rijk en Schuurman bleek vooral geïnteresseerd in de vraag naar de eeuwige jeugd.

Er zijn serieuze vraagtekens te stellen bij de inhoud van deze vragen (moeten wetenschappers zich bijvoorbeeld wel bezig houden met de eeuwige jeugd van Katja Schuurman of misschien toch beter met vragen met betrekking tot bijvoorbeeld klimaatverandering of ongelijkheid?). Maar het grootste probleem zit hem niet in de inhoud maar in het proces.

Willekeurige schiettent

In een dubbelinterview in de NRC, leggen voorzitters Rinnooy Kan en De Graaf uit dat de democratietheorie van de Duitse filosoof Jürgen Habermas model staat voor hun aanpak. Ironischer kon hun keuze niet zijn. Kijkend naar DWDD lijkt het opstellen van de wetenschapsagenda een volstrekt willekeurige schiettent van vragen te worden waarvan de gevolgen nog niet te overzien zijn.

Ten eerste is het totaal onduidelijk op basis waarvan de uiteindelijke wetenschapsagenda opgesteld gaat worden. Iedereen mag een vraag inbrengen, maar wie op basis van welke criteria gaat bepalen wat er in de uiteindelijke wetenschapsagenda komt, blijft een raadsel.

Niet op basis van Katja

We mogen toch hopen dat het wetenschapsbeleid geformuleerd wordt op basis van een uitwisseling van argumenten en reflectie op de rol van de wetenschap in onze samenleving en niet op basis van wat Katja Schuurman toevallig interessante vragen vindt. Een formuliertje invullen op de website van de Nationale Wetensschapsagenda lijkt weinig ruimte te bieden voor een dergelijke discussie. Het proces, zoals het er nu uitziet, ondermijnt alles waar de wetenschap voor staat: de autoriteit van, en dus ook vertrouwen in, de wetenschap.

Natuurlijk: het opstellen van de Wetenschapsagenda gaat gepaard met een reeks conferenties en een heus ‘Weekend van de Wetenschap’ (zie katern bovengenoemd interview). Maar ook bij het opstellen van de Wetenschapsvisie is er gepraat met allerhande instituten zoals de KNAW en de Jonge Akademie.

Vooral een lippendienst 

Niettemin lijkt dat nu vooral een lippendienst te zijn geweest. De Wetenschapsvisie suggereert dat er een breed gedragen consensus bestaat onder wetenschappers over het te voeren wetenschapsbeleid maar de stroom aan kritische reacties op de Wetenschapsvisie suggereert een hele andere werkelijkheid (zie o.a. podium KNAW).

Hoe weten we zeker dat er bij het opstellen van de Wetenschapsagenda niet iets dergelijks gebeurt? Iedereen mag een duit in het zakje doen, maar het proces is pas echt democratisch wanneer er 1) duidelijkheid is over de besluitvorming en 2) deze besluitvorming zelf democratisch gebeurt.

Habermas in ons achterhoofd

Om Habermas te citeren, participeren in democratische belsuitvorming houdt in: the deliberative meaning of including the arguments of citizens in the democratic process of opinion- and will-formation … Democracy depends on the belief of the people that there is some scope left for collectively shaping a challenging future.” We zijn pessimistisch in hoeverre de voorgestelde procedure daadwerkelijk recht doet aan dit mooie ideaal. Laten we, met Habermas in ons achterhoofd, georganiseerde chaos dan ook gewoon georganiseerde chaos noemen, en geen democratie.

Bovendien is het onduidelijk wat de financiële consequenties zijn van deze exercitie. Vervangt de wetenschapsagenda de topsectoren? Blijft er ook geld over voor onderzoek dat niet binnen de wetenschapsagenda valt? Op een vraag van ‘tafeldame’ Fidan Ekiz gaf Rinnooy Kan aan dat er ook ruimte blijft voor zogenaamd ‘ongebonden’ onderzoek. Ja, natuurlijk blijft er ruimte over voor ongebonden onderzoek: maar de vraag is of er genoeg ruimte over blijft.

Grote stilte vanuit OCW

De grote vraag bij De Nationale Wetenschapsagenda is natuurlijk van welk geld dat onderzoek betaald gaat worden. De Graaf en Rinnooy Kan zeggen daarover dat ‘zij daar niet over gaan’. Maar hoe verstandig is het een Nationale Wetenschapsagenda op te stellen als we niet weten of het geld hiervoor van de topsectoren komt, van het budget van NWO dat nu naar vrij onderzoek gaat, of dat het deel moet gaan uitmaken van het onderzoek dat via de eerste geldstroom gefinancierd wordt. Maar over de financiering van het onderzoek van de Nationale Wetenschapsagenda bestaat sinds de publicatie van de Wetenschapsvisie 2025 grote stilte vanuit het ministerie van OCW.

Voor alle duidelijkheid: natuurlijk moeten we nadenken over de maatschappelijk waarde van wetenschap. We moeten er echter voor waken de maatschappelijke waarde van wetenschap te reduceren tot een ‘u vraagt wij draaien’ waar wetenschap een strikt instrumentele waarde wordt toegeschreven.

Voortdurende reflectie

In plaats van iedereen maar wat te laten roepen over wat er volgens hem of haar in de wetenschapsagenda zou moeten komen, zouden we eerst eens moeten reflecteren op de vraag wat überhaupt de rol van wetenschap zou moeten zijn in een samenleving. Bovendien: het formuleren van wetenschapsbeleid zou niet moeten leiden tot een 5 of 10 jaren plan voor de wetenschap maar in eerste instantie ruimte moeten bieden voor een voortdurende reflectie op de wetenschap.

Wetenschap moet niet zozeer pasklare antwoorden bieden op concrete maatschappelijke vragen, maar vooral de ruimte hebben om zelf vragen te kunnen agenderen. Deze ruimte is noodzakelijk, niet alleen voor goede wetenschap maar ook voor maatschappelijk relevante wetenschap.

Bepaalde autonomie

Zo is de wetenschap tot stand gekomen die ons zoveel kennis, inzichten en welvaart heeft gebracht de voorbije decennia. Met andere woorden: wetenschappers moeten een bepaalde autonomie hebben om zelf hun onderzoeksvragen te formuleren om überhaupt maatschappelijk relevant te kunnen zijn. De wetenschap sturen is één ding, de wetenschap top-down sturen is een tweede; de wetenschap via willekeurige processen sturen, nog een ander.

Zonder een bepaalde mate van autonomie dreigt wetenschap te verworden tot de afdeling Research & Development van een bedrijf of de jukebox tijdens een feestje (om de woorden van De Graaf nog maar eens aan te halen). Dit moet niemand willen. Ook ‘de burger’ niet, want die is uiteindelijk meer gebaat met een wetenschap die zichzelf kan zijn.