Wat is er nodig voor zelfkennis?

 

Stel dat je met een enorm ochtendhumeur wakker wordt. Eigenlijk was je van plan om een boswandeling te maken maar, humeurig als je bent, besluit je dat je eigenlijk liever binnen wilt blijven. Heb je in zo’n geval zelfkennis of houd je jezelf voor de gek? Of stel dat je je erg onzeker voelt of depressief of juist hoteldebotel verliefd. Kun je in die omstandigheden weten wat je echte verlangens, overtuigingen en intenties zijn? Weet je wat je wilt wanneer je tijdens een woede-uitbarsting aangeeft een scheiding te willen? Weet je dat je een gezonde salade wilt wanneer het evident is dat je ‘genudged’ wordt? Ken je je eigen overtuigingen wanneer je bent gemanipuleerd door propaganda?

In deze blogpost wil ik kort iets vertellen over mijn proefschrift. In mijn proefschrift probeer ik niet zozeer een concreet antwoord te formuleren op bovenstaande vragen over zelfkennis, maar de meer fundamentele vraag te stellen wat er überhaupt voor nodig is om ze te beantwoorden. Meer specifiek is het doel van mijn proefschrift te onderzoeken of hedendaagse theorieën van zelfkennis (expressivisme en rationalisme in het bijzonder) voldoende gereedschap hebben om dergelijke vragen op een bevredigende manier te behandelen, dat wil zeggen, op een manier die recht doet aan hun complexiteit.

De procedurele vraag en atomisme over zelfkennis

Het huidige filosofische debat is vooral bezig met de vraag of zelfkennis een kwestie is van ‘naar binnen kijken’ (introspectionisme), jezelf interpreteren (interpretationalisme), jezelf uitdrukken (expressivisme), of delibereren (rationalisme). Wanneer je aangeeft in het zelfkennis-debat werkzaam te zijn, is dan ook een van de eerste vragen waarmee je geconfronteerd wordt: ben je een introspectionist, interpretationalist, expressivist of rationalist of misschien een ‘pluralist’? Met andere woorden, het debat concentreert zich met name op de specifieke ‘methodes’ of ‘procedures’ van zelfkennis – hun onderlinge overeenkomsten en verschillen, en (in)comptabiliteiten. De focus ligt op wat ik noem de ‘procedurele vraag’ naar zelfkennis: dit is de vraag welke procedure of methode iemand moet volgen om tot een zogenaamde ware ‘zelftoeschrijving’ te komen. (Wanneer je een zelftoeschrijving maakt, schrijf je – in gedachten of in taal, bewust of onbewust – een bepaalde mentale toestand aan jezelf toe. Denk bijvoorbeeld aan: “Ik geloof dat Brexit een slecht idee is”, “Ik wil een koffie”, “Ik vrees dat het gaat regenen” of “Ik hoop dat de vergadering niet doorgaat”.)

Er zijn een aantal andere belangrijke vragen die tot nu toe spijtig genoeg weinig aandacht hebben gekregen. Eén daarvan is de vraag naar de ‘omstandigheden’ van zelfkennis. Wanneer Peter een zelftoeschrijving maakt, kunnen we niet alleen de vraag stellen welke procedure Peter volgde (“was Peter aan het introspecteren of aan het delibereren?”), maar kunnen we bijvoorbeeld ook vragen: wie is Peter? Waar is Peter? Wat is Peter van plan? Wat heeft Peter gedaan? Hoe voelt Peter zich? Wat weet Peter? Met wie praat Peter? Hoe wordt Peter door anderen gezien en behandeld? Hoe ziet en behandelt Peter zichzelf ? Enzovoorts.

Lees verder op BNI.