Kunst en het vermogen zelf te oordelen

Wanneer we de vraag stellen waarom literatuur belangrijk is, wordt doorgaans aangenomen dat het antwoord er een moet zijn die uitlegt waarom literatuur belangrijk is voor mij (en voor hem, voor haar, voor die persoon daar). Met andere woorden, het idee is dat wanneer we ons afvragen waarom literatuur, of verhalen meer algemeen, waardevol zijn, dat we een antwoord moeten kunnen krijgen op de vraag: wat heb ik er concreet aan? Met die individualistische aanname in het achterhoofd, worden vervolgens studies opgezet om te laten zien dat, bijvoorbeeld, door het lezen van een half uurtje Tjechov we meer sociaal inzicht (inclusief inzicht in onszelf) verwerven. Hebben we gelijk een duidelijke reden om ontlezing tegen te gaan, en voorkomen dat bibliotheken verdwijnen. Want dat het slecht gaat met de literatuur in Nederland, is vervelend voor uitgevers, maar vooral ook ‘slecht voor u’.

Als we kunnen laten zien dat literatuur op concreet niveau onze vermogens voor, zeg, sociaal inzicht, identiteitsvorming of empathie verbetert, dan hebben we de jackpot. Het belang van literatuur is in dat geval bewezen, want: ‘ook u heeft er iets aan’. Maar de individualistische aanname is verraderlijk, want de aanname werkt ook de andere kant op: als onze sociale inzichten en dergelijke niet daadwerkelijk verbeteren door het kopen en lezen van romans—als er geen overtuigend antwoord komt op de vraag ‘wat heb ik eraan?’—dan zijn we de klos. Literatuur is waardeloos.

In deze derde blogpost (zie deel 1 hier en deel 2 hier), is het misschien tijd om vraagtekens te stellen bij de individualistische aanname.

 

Lees hier verder.