Cafépraat over Vrije Wil

Met Sem de Maagt.

Esther van Fenema en Albert Otten (Opinie & Debat, 29 maart) – respectievelijk psychiater en rechter – beweren dat recent hersenonderzoek laat zien dat keuzevrijheid niet bestaat en dat juridische concepten als toerekeningsvatbaarheid en schuld daarmee worden ondergraven. Als we van Fenema en Otten moeten geloven, worden mensen die vraagtekens stellen bij dit soort conclusies geleid door religieuze sentimenten die gestoeld zijn op “achterhaalde denkbeelden over de mens en zijn brein.” De auteurs doen daarom een oproep om eens op nuchtere wijze, zonder ons te laten leiden door heftige emoties, na te denken over vrije wil en verantwoordelijkheid. Graag zouden we inhoudelijk in willen gaan op de gemaakte claims, maar helaas maakt het feit dat het artikel bol staat van de drogredenen dit onmogelijk. In plaats daarvan willen we de auteurs daarom wijzen op de aanwezige tekortkomingen, om daarmee de weg vrij te maken voor een inhoudelijke discussie over hersenwetenschap en verantwoordelijkheid.

Ten eerste doen de auteurs een ongefundeerd beroep op autoriteit. Dick Swaab wordt goedkeurend aangehaald als iemand die “op nuchtere en wetenschappelijke wijze de stand van het hersenonderzoek” beschrijft. Hieruit zou dan, zonder verdere argumentatie, moeten volgen dat keuzevrijheid niet bestaat. Filosofen die kritiek leveren op het soort reductionisme dat de auteurs voorstaan, bijvoorbeeld door te wijzen op het verschil tussen mentale processen en fysieke processen, worden daarentegen simpelweg weggezet als religieuze fanatici. Van Fenema en Otten gaan niet in op de argumenten van filosofen maar maken zich er vanaf met het plaatsen van een uitroepteken aan het einde van de zin: “mentale processen zouden iets heel anders zijn dan fysische processen!”. Hier hebben we te maken met twee klassieke drogredenen: een ad hominem door het simpelweg diskwalificeren van filosofen zonder in te gaan op wat zij daadwerkelijk zeggen, en het ontduiken of omzeilen van de bewijslast.

Bovendien maken de auteurs gebruik van een illegitieme gevolgtrekking. De auteurs zijn kennelijk onder de indruk van het feit dat mentale processen als denken en twijfelen fysische processen zijn “waarin diverse hersengebieden interacteren, waarbij wat wij aanduiden als bewustzijn en geweten slechts twee voorbeelden van breinactiviteit zijn”. De zin is suggestief, maar het is niet duidelijk wat het moet suggereren. Stel dat we konden denken en twijfelen zonder dat er hersenactiviteit zou plaatsvinden. Dat zou pas echt schokkend zijn! Een auto kan ook niet rijden zonder dat de motor functioneert. Maar dat betekent niet direct dat een auto slechts een motor “is”. Een auto heeft vier wielen, een motor niet; personen hebben pijn, hersengebieden niet. Hoewel hersenactiviteit noodzakelijk is voor bewustzijn, is dat feit alleen niet genoeg om te zeggen dat bewustzijn (en vrije wil, enzovoorts) niet bestaat. Hoewel de grondwet uit niets meer bestaat dan een verzameling letters, volgt het niet dat de grondwet slechts een letterverzameling “is”. Kortom, de geïmpliceerde conclusie dat bewustzijn noch ons geweten bestaat, is een goed voorbeeld van een pure non sequitur, ofwel, een conclusie die niet volgt.

Ironisch genoeg verwijzen de auteurs goedkeurend naar de filosoof Daniel Dennett, volgens wie het denken over bewustzijn als een “autonoom wezentje” ergens in de hersenen een geloof in een ‘Cartesiaans theater’ veronderstelt. Die verwijzing is juist. Maar het is een beschamend feit dat de auteurs Dennett voor hun karretje spannen, gezien precies deze filosoof groot tegenstander is van het neurofetisjisme dat door de auteurs verdedigd wordt. Dennett pleit zelf voor een vorm van ‘compatibilisme’ waarbij er ruimte is voor vrije wil, toerekeningsvatbaarheid en morele vorming of determinisme nu waar is of niet. Tijdens zijn recente bezoek aan Nederland, in verband met het verkrijgen van de Erasmusprijs, liet Dennett zich nog fel uit tegen deze reductionistische denktrant over vrije wil en bestempelde deze zelfs als gevaarlijk.

Het meest fundamentele probleem van het artikel is echter dat de auteurs ons een vals dilemma voorschotelen. Van Fenema en Otten zien twee mogelijkheden voor zich: ofwel een volledig gedetermineerde wereld zonder verantwoordelijkheid en vrije wil, ofwel het geloof in een immaterieel bewustzijn of Cartesiaans Ego met vrije wil. De redenatie van de auteurs die lijdt tot dit valse dilemma gaat als volgt: als vrije wil bestaat dan moet dat betekenen dat we kunnen kiezen of handelen los van de (neurologische) factoren die ons gedrag determineren. Dat zou kortom betekenen dat elke keer als we een ‘vrije keuze’ maken een magische daad zouden verrichten. Maar volgens de door de auteurs zo geroemde Dennett is deze conceptie van vrije wil helemaal niet “worth wanting”: wat we willen van vrije wil is mogelijkheid tot autonomie en morele opvoeding, en niet de mogelijkheid van een immateriële ziel om impact te hebben op de causale wereld. Wat Cartesianisme betreft: de pot verwijt hier de ketel.

Van Fenema en Otten kunnen zich troosten aan het idee dat zij er ook niets aan kunnen doen dat hun artikel bol staat van de drogredenen. Het is natuurlijk hun brein dat cafépraat verkondigt op de opiniepagina van een landelijk dagblad, daar kunnen we hen moeilijk verantwoordelijk voor houden.

Leave a reply

Your email address will not be published.