Bèta, bèta en nog eens bèta

Afgelopen vrijdag gaf Robbert Dijkgraaf, professor wis- en natuurkunde aan Princeton en voormalig KNAW-president, als onderdeel van DWDD University een populairwetenschappelijke lezing over Einstein. Het college van Dijkgraaf werd bezocht door maar liefst 1100 mensen, live gevolgd door bijna een miljoen kijkers, net zoals bij de twee eerdere lezingen over de kleinste deeltjes en de oerknal. Kortom, de bètawetenschappen zijn hot.

Tijdens het luisteren naar de lezing van Dijkgraaf vraagt men zich af waarom de alfa- en gammawetenschappen er zo slecht vanaf komen. Het is ondenkbaar dat van Nieuwkerk verlegen zou staan flirten met ‘een grote naam’ in de filosofie (als de combinatie ‘grote naam’ en ‘filosofie’ in de populaire wetenschap überhaupt al kan bestaan). Veruit de meest genoemde reden voor het feit dat de bètawetenschappen zo’n sexappeal genieten is dat we aan de laatste iets hebben en aan filosofie, antropologie, en de talen bijvoorbeeld, helemaal niets. De laatste wetenschapstakken vallen maar moeilijk te ‘valoriseren’ (een woord waar van Nieuwkerk nog nooit van had gehoord, zo bleek uit een eerdere uitzending).

Ironisch genoeg liet Dijkgraaf zelf afgelopen vrijdag zien dat de kennisbenuttingsvraag voor Einstein ook een pijnlijk onderwerp zou zijn geweest. Tot twee keer toe haalde Dijkgraaf zijn mobiele telefoon uit zijn borstzakje om Einstein bij te staan. De eerste keer om iets uit te leggen over de werking van het schermpje (onder het mom: “zonder Einstein geen Instagram”), de tweede keer om iets te vertellen over de gps-functie, met als uitleg dat we zonder Einstein maar liefst tien kilometer verkeerd zouden zijn uitkomen op onze bestemming. Maar liefst tien kilometer!

Het punt is dat het zichtbaar pijnlijk was te zien hoe de relevantie en betekenis van Einsteins werk werd opgehangen aan een verhaal over onze mobieltjes. Einstein was, net als Dijkgraaf, een theoretisch natuurkundige. Wat Dijkgraaf ons vooral wilde laten zien is dat we in Einsteins ideeën geïnteresseerd zijn omdat we willen weten hoe ons sterrenstelsel in elkaar steekt, wat ruimtetijd is, wat energie is, of hoe zwaartekracht begrepen moet worden. Als Einsteins theorie ons vervolgens ook iets vertelt over hoe we onze gps-functies kunnen verbeteren is dat mooi meegenomen, maar een dergelijke toepassing blijft niets meer dan een spin-off van iets dat in zichzelf onze interesse wekt. Het is uiteindelijk slechts de schijn van praktische relevantie, in leven gehouden door van Nieuwkerk en collega’s.

De situatie is zelfs nog schrijnender. Eigenlijk moeten we zeggen dat de populariteit van de bètawetenschappen het vaak niet eens moeten hebben van de schijn van praktische relevantie. Sterrenkundigen zelf doen het in elk geval niet voorkomen alsof hun onderzoek belangrijk is omdat het zich zou lenen voor het praktische belang. Maar als valorisatie het punt niet is, waarom is het dan zo dat alle bètawetenschappen een automatische publieke waardering genieten, en de alfa- en gammawetenschappen niet? Waarom niet een populair wetenschappelijke lezing over de theorie van bijvoorbeeld Immanuel Kant (die overigens een eeuw voor Einstein al uitlegde dat we nooit kunnen weten hoe de vierde dimensie eruit zou zien)?

Als de kijker, en de publieke omroep, zich zou durven te realiseren dat we niet vanwege onze mobieltjes maar vanwege iemands ideeën zelf geboeid raken, kunnen we misschien in de toekomst ook zonder schaamrood op onze wangen luisteren naar een college over wat moraliteit is, hoe bewustzijn werkt en wat vrije wil is. Zonder, natuurlijk, vrije wil vervolgens weer gauw op te hangen aan hersenscanners, omdat vrije wil in zichzelf niet interessant genoeg zou zijn.

Leave a reply

Your email address will not be published.